Schoenen

De onverwachtsheid van voorspelbare onoverkomelijkheden

Sommige dingen zijn onoverkomelijk, en dingen die onoverkomelijk zijn, zijn per definitie uiterst voorspelbaar, maar presenteren zich jammergenoeg altijd onverwacht. Wat u ook doet en hoe goed u zich ook voorbereid, ze zullen u overkomen. Vroeg of laat.

Wie heeft het niet meegemaakt: u denkt op straat iemand te herkennen en u begroet deze persoon uitermate enthousiast. Het object van uw jovialiteit draait zich om en blijkt iemand te zijn met wie u totaal onbekend bent… Wat te denken van het openbaar vervoer? Altijd is de trein (desgewenst bus, tram of metro) te laat. Behalve die ene dag dat u te laat bent… En hoe zit het met uw tenen? Het is min of meer wetenschappelijk bewezen, dat elke keer wanneer u zich van uw schoenen ontdaan hebt, uw tenen pijnlijk gestoten zullen worden… Is hier iets aan te doen? Nee, beste lezer. Nee. Onoverkomelijk.

Trekt u zich de schoenen maar eens uit en loopt u eens door uw huis heen. U bent zich bewust van de kwetsbaarheid van uw tenen en dus bent u erg oplettend. Het vervelende van onoverkomelijkheden is, dat ze uiterst voorspelbaar zijn, maar zich jammergenoeg ook altijd onverwacht presenteren. Tien tegen één, dat u zich de tenen pijnlijk stoot op het moment dat u zich niet meer bewust bent van het feit dat u schoenloos bent.

Een ander voorbeeld, helaas nog steeds zonder schoenen. U loopt wederom door uw huis heen en u bent zich niet meer bewust van uw schoenloosheid. U pakt iets uit een kast of van een tafel. Ik kan u verzekeren dat dit funest is voor uw tenen, aangezien er iets zal vallen. Uiteraard zal dit object niet de zwaartekracht bevestigen door ergens naast uw tenen neer te komen, maar dit voorwerp zal precies, exact, alsof het wiskundig berekend is, op uw tenen vallen. Is dit frustrerend? Nee, beste lezer. Nee. Uiterst voorspelbaar.

N.B. (Even geheel tegen de structuur van de tekst in, zal ik nu het als tweede genoemde voorbeeld behandelen. Dit om een nagenoeg logische opbouw en daarmee een zekere voorspelbaarheid te voorkomen.)

De trein. Denkt u zich eens in: u bent een student (wat op zich niet ondenkbaar is en zeker niet onindenkbaar) en u moet elke ochtend de trein van 8h45 halen, om uzelf zo rond 9h45 op college te aanwezig te melden. In het ongelukkige geval dat u deze trein mist, kunt u natuurlijk ook de volgende trein (die van 9h02) nemen, welke om 9h19 op het overstapstation aankomt. Toevallig vertrekt exact op dat tijdstip de laatste metro die ervoor kan zorgen dat u op tijd aankomt.

Elke ochtend presteert de machinist het om de trein zo rond 8h47 binnen te laten lopen. Behalve die ene dag dat u te lang onder de douche heeft gestaan en om 8h46 het perron op komt stuiven. U kijkt tegen de achterlichten van de trein aan.

Het heeft overigens geen zin om uzelf voor de gek te houden en zich te verplichten de trein van 8h32 te halen. Dit betekent dat u eerder op moet staan en daardoor raakt uw biologische ritme in de war. Bovendien heeft u zichzelf veel te snel door. U zult elke dag chagrijnig zijn omdat u systematisch de trein mist (u staat te laat op) en daarnaast kunt u zichzelf alleen voor de gek houden als u zich niet van dat droevige feit bewust bent. U bent dus kansloos en komt een kwartier te laat. Irritant? Nee, beste lezer. Nee. Jammergenoeg onverwacht.

N.B. (Overigens is het wel erg academisch en is het in het geval van een college academische vaardigheden misschien zelfs wel aan te raden u te richten op de trein van 9h02. Het is noemenswaardig te vermelden dat het absoluut noodzakelijk is deze trein ook daadwerkelijk te halen, aangezien een academisch halfuurtje niet bestaat.)

Om sommige mensen te tonen dat ik niet elke vorm van logica ontbeer, zal ik dit schrijven besluiten met een concluderend woord gericht aan u. Kan een komkommer efficiënt zijn? Hoe staat het met de genotsinflatie van de gemiddelde Nederlander? Wat is het belang van irrelevante dingen? Deze en meer interessante kwesties zullen een volgende keer aan de orde komen.

Maar… wat dan te zeggen van het eerste voorbeeld? Aangezien u dit zelf al hebt ervaren, zal ik er hier niet verder over uitweiden. Een conclusie? Nee, beste lezer. Nee. Want na het lezen van bovenstaande heeft u namelijk zelf al een conclusie getrokken. Onvermijdelijk.

dutchess


Dichtregels

de woorden zijn gesproken
de daden zijn gedaan
wat valt er nog te zeggen
wat valt er nog te doen

op de een of andere manier
getuigen mijn gedichten
van weinig plezier
verslagenheid rondom
verslagenheid alom

ik schrijf geen gedichten
ik schrijf gevoelens
ik rijm geen woorden
ik rijm gevoelens
ik rijm vanuit het ongerijmde

mijn gevoelens zijn ongerijmd
verslagenheid en haat

kort maar krachtig
waarachtig
zo zijn mijn gedichten
als je ze zo wil noemen

niet alleen geslagen
maar ook verslagen
met zomin mogelijk woorden
zoveel mogelijk zeggen
hoe kernachtiger
hoe krampachtiger
minder woorden
meer pijn

De Ridder met het Open Vizier


Wat heb ik gedaan?

‘Ah, daar hebben we hem weer’, schreeuwde ik naar mijn vriendjes. Vuurtoren, stoplicht, brillenjood, schaapje. O, wat was het weer leuk. Ik schold hem het hardst uit. Het was ook zo’n sukkel. En zo dom. Ja, hij was alle domme dingen. Hij liep weer snel weg. Ik ging weer verder met het voetballen. Daar was ik het beste in van iedereen. Ik kreeg de bal en ik scoorde weer. O, ik was zo goed. En ik had zoveel vrienden. Niemand kon mij wat maken. Ik had overal een weerwoord op. Ik kreeg nooit straf. Ik hoefde nooit wat te doen. Ons team won het potje natuurlijk. Ik liep langzaam van het veldje af, naar huis toe. Ik kwam op de terug weg nog een paar meisjes tegen. Ze zeiden hoi tegen me en bleven me aan staren. En terecht, ik zag er goed uit. Ik kon elk willekeurig meisje krijgen.
En ik keek neer op die rooie. Hij zag er niet uit, was dom en kon niks. Hij kon alleen weglopen. Ik kwam binnen en het rook weer erg lekker. Ik zei mijn moeder gedag en ging naar mijn kamer. Daar ging ik internetten. Ha, dat ene meisje was ook weer online. Dat meisje zou ik wel als vriendin willen hebben. Ik moest eigenlijk een keertje een afspraakje met haar maken. Dat kon ik nu wel even doen.
‘Hoi, ik ben er weer’
‘hoi, leuk zeg’
‘nog iets leuks gedaan vandaag’
‘nee, me een beetje verveeld’
‘ik niet, ik heb gevoetbald, was wel leuk, er kwam ook nog even een sukkel aan’
‘een sukkel?’
‘ja, iemand die ontzettend dom is en niks kan’
‘dat was zeker wel lachen’
‘best wel.
ik moet nu bijna eten, zullen we een keertje afspreken’
‘ja is goed, vrijdag over een week’
‘oke, ik heb er al zin in doei’
‘doei’
Oké dan, eindelijk het afspraakje. Ik was helemaal blij. Ik stormde naar beneden en hielp zomaar met tafeldekken. Iets wat ik anders nooit doe. Ook mijn moeder keek verbaasd, maar vond het wel leuk. Toen mijn vader thuiskwam gingen we eten. Hij vroeg zoals altijd of ik nog iets gedaan had vandaag. Ik was naar school geweest en had gevoetbald, antwoordde ik. Over de sukkel hield ik maar mijn mond. Ik had het een keer eerder gezegd maar dat had mijn vader niet zo leuk gevonden. Sindsdien heb ik er nooit meer iets over gezegd.
Leuk antwoordde mijn vader en ging verder met zijn gesprek met mijn moeder. Ik had snel mijn eten op en ging weer naar mijn kamer. Ik keek snel even naar de repetitie die ik morgen had. Ik kende het al. Ik kende alles al. Ik had vrij weinig aan school. Maar ja, het was wel leuk. Ik ging snel een computerspelletje doen. Een heel mooi spel dat ik sinds kort had. Iedereen dood schieten die je tegenkomt. En zoveel mogelijk mensen tegenkomen. En als je de politie op je dak kreeg gewoon schieten. Shit, ik ging weer eens dood. Ik had er geen zin meer in. Nou ja, het was ondertussen ook wel zo’n beetje tijd om naar bed te gaan. Zo leefde ik naar volgende week vrijdag. Ik ging niet voetballen, ik ging direct naar huis vanuit school. Ik ging me douchen en keek eens in mijn kast. Welke kleren zou ik eens aan gaan doen? Ik pakte mijn nieuwe broek en een bijna nieuw shirt. Ik keek in de spiegel en vond dat ik er goed uitzag. Ik werkte snel mijn eten naar binnen, antwoordde mijn vader dat ik alleen naar school was geweest. Mijn ouders merkte niet dat ik mijn nieuwe kleren aan had en hadden ook niet door dat ik gedoucht had. Ik ging weer even naar boven om, voor de zekerheid, nog wat deodorant op te doen. Toen zei ik tegen mijn moeder dat ik nog even naar buiten ging en ging naar buiten. We hadden op een rustig plekje dicht bij het bos afgesproken. Ik was er veel te vroeg. Ik moest wachten. Ik hoopte maar dat zij een beetje op tijd zo zijn. Plotseling voelde ik twee handen in mijn nek, die mijn nek afknelden. Ik wilde wat zeggen, maar dat lukte niet. Ik wilde schreeuwen, roepen, maar het lukte niet. Ik kreeg geen adem meer. Ik hoorde iemand zeggen,’voelt het lekker aan? Je hebt in ieder geval wel mooie kleren aan’.

Opeens bewoog hij niet meer, helemaal niet meer. Wat had ik gedaan. Had ik het echt gedaan? Nee, het kon niet waar zijn. Ik, zo’n sukkel, iemand die niks kon, heb ik het echt gedaan? Als het waar was, dan was het fantastisch. Dan ben ik geen sukkel meer, dan ben ik goed. Ik ben goed. Ik kon het nog niet geloven. Ik had mezelf overwonnen. Snel ging ik naar huis. Mijn moeder stond me al op te wachten. ‘Was het een leuk afspraakje?’ En of het een leuk afspraakje was. Maar ik kon er niet verder mee. We lagen elkaar niet. ‘Arme jongen’, zuchtte mijn moeder zachtjes. Vroeger was ik het ermee eens, maar nu niet meer. ‘Ik ben geen arme jongen meer, mama’, zei ik tegen haar. Mijn moeder kijk me eens aan en zei, ‘wat ben ik toch trots op je’.
De volgende dag ging ik weer bij het voetbalveldje kijken. En voor het eerst in mijn leven werd ik daar niet uit gescholden. Ze waren niet aan het voetballen. Ze zaten te praten over hem. Ik bleef op een afstandje staan. Ik voelde me boven de rest verheven. Ik hoorde flarden van wat ze zeiden. ‘Hij is gisteren niet wezen voetballen’, ‘ging direct na het eten weg’, nog niet terug’. Ze zouden hem vinden. Ze zouden hem in het bos vinden. Ze zouden hem dood in het bos vinden. Maar ze zouden niet weten door wie. Ze zouden niet weten waarom. Ze waren ook allemaal zo dom en ze konden allemaal niks.
De ridder met het open vizier


Ontzettende trien

Wat een ontzettende trien is dat toch eigenlijk. Nee, trien is niet het goede woord. Maar het is in ieder geval wel iets ontzettends. Een ontzettende uhm ik weet niet wat voor ontzettend iets maar ja. Feit is dat ze het is.
Ten eerste: ze ziet er niet uit (naar mijn bescheiden mening),
ten tweede: ze ziet er niet uit (naar mijn onbescheiden mening),
ten derde: ze zegt nooit wat,
ten vierde: ze doet nooit iets leuks,
ten vijfde: ze lacht niet leuk (dat had alles nog goed kunnen maken, want om mij moeten mensen lachen en als ze dan leuk zou lachen dan zou ze nog leuk zijn).
Maar jam, boter en pindakaas bij elkaar is eenmaal niet lekker.
Oh, daar had ik het niet over.
Sorry.
Maar ik had op de een of andere manier toch nog hoop voor haar. Ik weet het, ik ben eigenlijk te goed voor deze wereld. Maar ik had dus nog hoop voor haar. Zo gauw we een moment alleen waren schoot ik als het ware(dus het was niet zo, onthoudt dat goed, ze zou maar zomaar schrikken) op haar af.
“En hoe vind je het?”
“Ik eh vind het eh eigenlijk wel eh (stom??) eh leuk.” (daar was al iets van mijn hoop, ze vond het leuk terwijl ze niks deed, het kan nog, genieten om niks, tevreden zijn met niks)
“En wat ga je volgend jaar eigenlijk doen?”
“Ik eh ga eh laboratoriumonderzoek studeren!”
“Hoe kijk ik door een microscoop?”
“Eh, nee. Onderzoek doen naar ziektes en virussen (zo zei ze dat, ik durfde niet te vragen of het misschien viri moest zijn).”
En daar sprong de hoop die ik voor haar koesterde omhoog en daarbij kwam zoveel energie bij vrij dat bijna mijn hart in brand stond voor haar. De schat. Ik zag het al helemaal voor me. Ze was altijd al geplaagd, niet door haar uiterlijk dan wel door haar klasgenootjes (ik had daar niet bij kunnen zijn omdat ik eigenlijk te goed voor deze wereld ben). Altijd eenzaam geweest. En dat zou ze blijven. Ze zou nu worden geplaagd door de mensen die ze juist zou gaan behoeden voor ziektes en virussen (of toch viri?).
Maar ja, er is nu eenmaal onrecht.
En ik vraag me nu af: zouden meer mensen dit moeten doen? Het moderne monnikschap, alleen dan anders. Nu niet als een geëerd monnik, maar als een ontzettend geplaagde trien?
De ridder met het open vizier


Ik, zij en de ongelovigen

Waarom is de pracht van vroeger nooit de schoonheid van morgen en waarom blinkt het goud wat de morgenstond heeft niet zo mooi meer als toen we het voor het eerst vonden? Het zijn vragen waar ik mij vroeger niet mee bezig hield, omdat ik toen leefde op heden-thans-op dit moment. De dag was vandaag en niet wat er gister geweest was. Maar wie wil er weten wat mij gebeurd is voorheen? Het is nu wat telt en wat nu bezig is, en het is nog nooit zo ontzettend vervelend geweest. Eigelijk is het heel eenvoudig, ik loop de trein in of ik loop ergens anders of ik loop niet en begeef me in een zetel en ik probeer na te denken over wat er moet gebeuren, wat er van mij moet komen en wat de toekomst mij bieden zal en toch blijf ik stil zitten en sta ik stil terwijl de tijd verder gaat en ik nog éénmaal terugdenk aan hoe het “toen zijn” was.

Het was het godvergeten jaar 1996. Alleen het getal wat deze tijd aangeeft doet denken aan het aanbreken van een duivelse periode en zo was het ook. Als er iets fout gaat dan is het jaar 1996 een prachtig getal om dit aan te binden, of het daadwerkelijk ook gebeurt dat is niet van belang. 1996 is een getal des duivels en de pastoren knijpen hun handen nog maar eens samen terwijl de verkoop van aflaten meer stokt dan elke andere vorm van handel. Wat het echter wel goed doet is de alcohol, de drank, die dat jaar meer verkocht wordt dan ooit. Ik kan het me zo ontzettend goed herrinneren. Het jaar 1996 is het jaar om je geloof kwijt te raken. Mocht je ooit nog een keer het jaar 3226 meemaken, dan zou ik er voor kiezen om dan je geloof kwijt te raken, omdat dit het eerst volgende jaar zal zijn waar je het beste je geloof kan verliezen.

Alsof er geen sprake van toeval kon zijn, was ik in het bezit van een roodharige vriendin. Zij was haar geloof ook al kwijt geraakt, de vraag blijft echter of zij al niet veel eerder van haar religie afgestapt was of eerder, haar eigen religie was begonnen, het ongelovige. Toen ik haar leerde kennen, was het contact leggen geen enkel vorm van probleem, we hadden namelijk zwaar de behoefte om te roken. Dit is eigelijk niet waar, we hadden de behoefte om een roker te worden en zo werden de rituelen al snel voortgezet naar een relatie. Mijn eerste en haar honderdenvijftigste denk ik. Ze leerde mij hoe ik, klein als ik nog was, op het punt van tenen alsnog de verboden vrucht van een boom kon plukken en jawel deze vrucht smaakte, exact als verwacht, naar de oneindigde heerlijkheid en vooral naar meer.

De soep wordt echter niet zo heet gedronken als hij serveerd wordt, dus je vingers eraan branden is dan ook niet mogelijk. Het is duidelijk dat je de soep dus rechtstreeks van het fornuis moet eten wil je de perfectie niet verloren laten gaan. Wij als ongelovigen hadden zich ondertussen al uitgebreid naar een groep van vijf mensen. Er was sprake van een overwicht van vrouwelijke personen, aangezien ik de enige mannelijke was, waar ik uiteraard geen probleem van maakte, hoewel de meeste mensen het niet helemaal begrepen naar mijn idee. Dat zou nog wel komen als ze enkele jaren ouder zouden worden.

Ik kan me niet herrineren dat ik met goede voornemens aan mijn middelbare school begon, mocht dat wel het geval geweest zijn, bewijst de tijd maar eens dat ze vluchtig en snel kan handelen. In zo’n drie weken was het mijn belangrijkste doel geworden om zo snel mogelijk in het bezit te komen van het eeuwige leven en vervolgens met een oneindige jeugd jong te sterven. Mijn schoolvriendin en ik en later onze groep van ongelofige onsterfelijken stonden sterk in onze schoenen. Zo sterk dat we een probleem vormden voor anderen die uit jaloezie ons probeerden te vertellen dat wij bezig waren het verkeerde pad op te gaan. Maar wij wisten dat er wel meer wegen waren die naar Rome leiden. Dus wij zetten wij onze kruistocht voort, op zoek naar andere ongelofigen, althans wanneer daar tijd voor was. Want tijd was er weinig en tegelijk waren er ook zeeen van. Wat maakt het eigelijk uit?

Ik werkte niet, maar deed klussen dicht in de buurt van mijn woonplaats waar nog een nog rijkere woonplaats was. Het kwam ook goed uit, want in die plaats was een van onze ongelovigen gezetteld in een woning. Zij heette Jessica, ze was een dochter van een Japanse vader en een Nederlandse moeder. Waar de Japanse vader gebleven was, was echter al een decenia een raadsel dus ging haar moeder maar aan de haal met een Engelse travestiet. Ze vond het blijkbaar nodig om zich vooral in de buurt van dit manvrouwige persoon te bevinden en bij hem zo’n zes dagen per week introk, of vaker. De woning waar Jessica woonde was dus vrij van volwassen of andere vervelende personen en zo werd een nieuwe kerk geboren voor de ongelofigen. In haar buurt deed ik dus klusjes bij bewoners en zo verdiende ik geld, naast dat ik ook nog naar die nutteloze school ging. Deze werkwijze nam ook Jessica onderhanden en aan het eind van iedere dag werd er eten gehaald. Belangrijk was de drank die we er van haalden en waar we ons iedere dag weer van konden bezatten.

In de supermarkt liepen we altijd linea recta naar de flessen wijn en kochten daar 3 of 4 flessen Lambrusco, dit is een soort limonade met alcohol een lichte wijn smaak en enkele bubbeltjes. Legitimatie was totaal geen probleem, want Jessica had reeds de lengte gehaald van 186 centimeters en oogte dus als iemand van 16 jaar of anders ouder en zo dronken wij iedere dag wijn op onze 13 jarige leeftijd. Vervolgens was het tijd om naar huis te gaan en aangezien ik nog steeds hetzelfde eruit zag wist niemand eigelijk wat er gebeurde, iedereen stond stil, maar nee, wij niet, wij leefde ons leven als echte levens en keken neer op de rest.

De groep werd vaster en vaster. Irene, de duivel was mijn vriendin. Jessica was degene die deuren van de kerk opende, Masira kon aan weed komen en verder waren ik en Wytze en ik er nog. Het andere meisje was spontaan verhuisd en van de aardbodem verdwenen en Wytze werd opeens een vriend van mij en dus waren we met ze vijfen en iedereen deed hetzelfde. Sigaretten roken, Lambrusco drinken en joints roken, behalve Wytze, hij niet. Hij dronk enkel zo nu en dan een slok van iets wat met de wijn naam moest doorgaan. Voor de rest zat hij er bij, sprak af en toe een woord of twee en zei verder niets.

Wonder boven wonder ging het eigelijk best wel goed op school, hoewel ik dus een probleem leerling was met voldoendes, dus echt mijn probleem was het uberhaupt niet. Ik werd zo nu en dan een wel een les uitgetrapt, maar ja, wat wil je met een puberende eerste klasser. Alleen Frans ging wat minder, maar ja een vijf op je rapport valt toch vaak in de blinde vlek van de toeschouwer. Allerzins geen zorgen, maar die vond ik sowieso niet belangrijk.

Mijn eerste beminning met de duivel was eigelijk net zo direct als het afscheid ervan. Ik stond in een bos dat gelegen was rond mijn school te roken, of beter gezegd, roker te worden. De duivel en ik hadden besloten om elkaar de hand te schudden en samen te gaan als stel. We begaven ons acher een bunker die nog was blijven staan ten gevolge van de Tweede Wereld. Zittend op onze ideale schuil en rookplaats. Onze vereniging ging zeer soepel, “ik hou van jou” zou bijna gepast geweest zijn op dat moment. Ten gevolge aan mijn eerste langdurige echte kus die zo’n 35 minuten duurde. Het was geen kus voor beginnelingen, ik was ook geen beginneling. Ik had reeds een aantal meisje gekust. Maar deze kus, dit was de eerste echte van betekenis. Als ik me op dat moment in een slechte film had bevonden waren op dat moment vele vormen van vuurwerk de lucht in gespoten en waren alle harpen uit de stal gehaald om vervolgens het prachtige “Air” van Bach te verneuken. Ik zat echter niet in een slechte film, ik zat in het leven, waar het gebeurde op dit moment, en niet ergens anders op een ander tijdstip. Mochten er toeschouwers gekeken hebben, dan zouden ze een prachtig een schouwspel hebben gezien van twee jongen zielen, verstrengeld in elkaars verlangen die de liefde opnieuw wilden uitvinden. Vuurwerk was niet nodig want wij waren het vuurwerk en op dat moment draaide de aarde even niet voor ons en wel voor de andere, wij waren hier en zij waren daar. Logischer wijs duurde zo’n kus dan ook 35 minuten, vrij lang voor een eerste kus zou je toch zeggen, waar mensen zich toch onwennig aan elkaar overgeven. Maar nee, wij waren al één al overgave. Mijn moeder vond wel dat ik wat aan de late kant was voor het avond eten.

Vijf maanden later was sympathie voor de duivel alweer verdwenen. Iemand vroeg ons: “Is het eigelijk uit tussen jullie?” Toen antwoordden wij beide met ja, en vanaf dat moment was het dus uit. Niet dat dat echt uitmaakte, ik was al een tijd onsterfelijk geworden, dus ik kon bestwel wat hebben. Het was sowieso wel beter zo, want ja, ook gasbranders zijn op een moment door hun brandstof heen. De behoefte om een nieuwe fles aardgas te koppelen aan het ontbrandingssysteem was nogal gering bij beide. We hadden gevlamd en dat vlammen houdt dus ook een keer op.

Maar geen nood, het wordt nooit anders meer dan dit.

dirkbanaan